Het voorjaar van 2026 was de tweede keer dat ik Nagasaki bezocht. Net als de eerste keer waren het vooral de stille getuigen van de ramp die zich hier op 9 augustus 1945 voltrok die mijn aandacht trokken.
De bom deed die zomerse dag zijn verwoestende werk vooral in de Urakami-vallei in het noorden van de stad. Door het omliggende landschap en de langwerpige vorm van Nagasaki bleef de initiële schade richting de baai beperkt. En wonderlijk genoeg bleven ook enkele, uit gewapend beton opgetrokken, gebouwen op relatief korte afstand van het hypocentrum overeind, al waren het na de explosie vaak nog slechts lege hulzen omringd door puin en dode of zwaargewonde slachtoffers.
De onbeschrijfelijke kracht van de atoombom fascineerde me al decennia. Truman zei, toen hij het bestaan van de bom wereldkundig maakte, dat de VS erin geslaagd waren de ‘fundamentele kracht van het universum’ te benutten. Een wapen met het potentieel de mensheid te vernietigen voortgekomen uit dezelfde oer-mechanismen en natuurwetten die aan de wieg van ons bestaan, van alle ‘bestaan’ stonden. Het had iets mystieks. Iets dat zelfs een atheïst bijna als religieus kon ervaren. En zo begon mijn ‘atoomtoerisme’.
In de jaren ’10 van deze eeuw interviewde ik de KNIL-veteraan Willy Buchel die de 9e augustus als krijgsgevangene in Nagasaki had meegemaakt. Willy was als 22-jarige soldaat in Bandoeng door het Keizerlijk Japans leger gevangengenomen en uiteindelijk in kamp Fukuoka 14B beland, dat was gelegen op het terrein van de Mitsubishi staal- en wapenfabriek in het Urakami-district va Nagasaki, zo’n 1,7 kilometer ten zuiden van het latere hypocentrum (de plek waar de bom tot ontploffing kwam). Hij omschreef hoe hij de bom zelf had zien vallen, hoe hij omvergeblazen werd en vervolgens de enorme verwoesting zag in het kamp en de stad. Hij sprak over een gevoel van euforie over de rechtvaardige wraak die de bom de vijand had gebracht, maar ook zijn gevoel van medeleven met de vele gewone Japanners die hem en zijn maten af en toe een vriendelijke blik of wat extra eten hadden gegund als de bewakers niet keken. Samen met hen bracht hij de nacht in de heuvels door met uitzicht op brandende stad. Jaren na ons gesprek (in 2014) werd Willy door de Japanse regering als een van de weinige niet-Japanners erkend als ‘hibakusha’ (被爆者), een directe overlevende van de atoombom, en kon hij aanspraak maken op een kleine vergoeding.
Ook na de oorlog bleven atoombommen Japanse slachtoffers maken. Op 1 maart 1954 besloten de VS een waterstofbom tot ontploffing te brengen op een van de Marshalleilanden, het Bikini-atol. Deze test, met de codenaam Castle Bravo, bleek een veel grotere kracht te hebben dan was berekend, met als gevolg dat de radioactieve neerslag (fallout) de Japanse vissersboot Daigo Fukuryū Maru (第五福龍丸), Geluksdraak 5, met een mysterieuze witte stoflaag bedekte. De bemanning, die geen idee had wat er was gebeurd, verzamelde het stof, proefde het en stopte het in zakjes als souvenir. Tegen de tijd dat het schip de haven van Yaizu (Shizuoka) binnenvoer leden de bemanningsleden aan ernstige stralingsziekte. Het stof (死の灰) zag ik in Tokyo met eigen ogen in het museum waar de boot werd ondergebracht. Het incident vormde de inspiratie voor de monsterfilm Gojira (ゴジラ) die datzelfde jaar door filmstudio Toho in de bioscoop werd uitgebracht. Het was een van de eerste films over de atoombom voor een Japans publiek. Tot 1952 was het land door de VS bezet en gold er een strikte censuur op dit onderwerp.
Later bezocht ik de Trinity Test Site in de Jornada del Muerto woestijn in New Mexico. De plek waar Oppenheimer en zijn team de eerste atoombom, The Gadget, tot ontploffing brachten. Ground Zero was er nog steeds bezaaid met licht radioactief trinitiet, een soort groen glas dat ontstond doordat het woestijnzand het vacuüm van de gloeiendhete explosie in werd gezogen en, eenmaal gesmolten, neerregende. Ruim 300 kilometer ten noorden bezocht ik Los Alamos, het speciaal voor de wetenschappers van het Manhattan Project opgetrokken dorpje. Een standbeeld van Oppenheimer en generaal Lesley Groves en twee musea herinnerden aan de wetenschappelijke prestaties die er werden geleverd.
Wetenschappelijke prestaties die op 6 augustus 1945 een tweede zon deden verschijnen in de hemel boven de provinciale industriehal van Hiroshima. Een gebouw dat de ramp tot de dag van vandaag gedeeltelijk overleefde en daarom de naam Genbaku Dome (原爆ドーム), oftewel atoombomkoepel, kreeg. Ook hier bezocht ik de musea en gedenktekens meermaals.
Drie dagen later herhaalde het tafereel zich boven Nagasaki. Hoewel ‘herhalen’ hier niet het juiste woord was. De tweede bom (Fat Man) was van een geheel ander ontwerp dan de eerste (Little Boy). Net als The Gadget was Fat Man een plutonium implosiebom met een geschatte explosieve kracht van 21 kiloton. Dat de impact van de bom uiteindelijk minder groot bleek dan de 15 kiloton uraniumbom Little Boy was vooral het gevolg van de problemen die de bemanning van bommenwerper Bockscar ondervond in het bereiken van het oorspronkelijke doelwit, Kokura, in het noorden van Kyushu.
Voor de slachtoffers maakte het niets uit. Niet dat Bockscar de bom, vliegend op het allerlaatste druppeltje kerosine, besloot af te werpen boven Urakami, niet dat dit alleen mogelijk was door een kleine opklaring in het wolkendek en ook niet dat de bergen en de ligging van de vallei de schok van de explosie in bedwang hielden. Voor hen telde alleen de hel die volgde.
Op zo’n 700 meter ten Noorden van de plek waar Fat Man tot ontploffing kwam stond de Yamazato basisschool (長崎市立山里小学校). Bijna alle schoolgebouwen waren van hout en werden weggeblazen of vlogen in brand. Van haar ruim 1.500 leerlingen keerden er zo’n 1.300 nooit meer terug. Sommigen kwam direct om het leven, anderen stierven in de dagen na de bom een vreselijke dood in de pas gegraven schuilkelders naast de school.
De overlevende kinderen keerden na de oorlog terug naar de school die gevuld leek met het verdriet van de honderden klasgenoten die er niet meer waren. Twee van hen waren Makoto (誠) en Kayano Nagai (永井 茅乃), die de toevalligerwijs in de vroege ochtend van 9 augustus, en dus letterlijk nét op tijd, waren geëvacueerd naar het huis van hun grootmoeder in de bergen. Zij waren de zoon en dochter van dr. Takashi Nagai (永井 隆) die vlak bij de school woonde. Hun moeder kwam om in de explosie. In de jaren na de bom behandelde dr. Nagai veel patiënten met vreemde aandoeningen die door de bom en haar straling waren veroorzaakt. Nagai was een toegewijde katholiek, zoals er veel in Urakami waren. De vallei herbergde zelfs een ware kathedraal, die door de bom verwoest werd. Kyushu was vanwege zijn handelspositie altijd de thuisbasis van Japanse Christenen geweest, een godsdienst die door de Portugezen was gebracht, kort opbloeide en vervolgens lange tijd werd verboden. Een verbod dat deels bijdroeg aan het succes van de Nederlandse handelspost Deshima, in de baai van Nagasaki. De Nederlanders waren lange tijd de enige Westerlingen die in Japan handel mochten drijven, juist omdat ze geen snars gaven om het christelijke geloof. Slechts de winst telde voor de ondernemers in de factorij. Om te voorkomen dat ze ‘per ongeluk’ toch Japanners zouden beïnvloeden mochten ze, behoudens een jaarlijkse reis naar de shogun in Edo, het kunstmatige eiland niet verlaten.
Het was in het piepkleine museum van de Yamazoto school, dat ik bezocht voordat ik naar het museum ter ere van dr. Nagai zou gaan, dat ik plots in het Engels werd aangesproken. Ik was de enige bezoeker en de stem was afkomstig van een wat oudere dame die me opgewekt en in vloeiend Engels vroeg waar ik vandaan kwam. Ze bleek zelf de school bezocht te hebben. Yumiko (由美子) was 81 jaar oud en was pas een paar maanden toen de bom de school en haar ouderlijk huis verwoeste. Ze werkte nu als vrijwilliger in het museum en, zo verzekerde ze me, had niets aan de bom overgehouden. Behalve dan dat ze gek was geworden, voegde ze er met een grote glimlach aan toe. Yumiko was net als Willy Buchel een overlevende van de atoombom. Tijdens ons gesprek bleek dat ze haar Engels opgepikt had in Amsterdam, waar ze een aantal jaren in het Krasnapolsky hotel had gewerkt voordat ze weer terugkeerde naar Nagasaki. Haar kinderen en kleinkinderen hadden later de school bezocht en ze liet met op een oude radio het schoollied, ‘ano ko’ (あの子), ‘Dat kind’, horen dat in 1949 was geschreven door dr. Nagai. Zijn dochter Kayano zat op dat moment samen met Yumiko op school en samen met de andere schoolkinderen hadden ze vanaf dat moment dagelijks het ontroerende lied gezongen. Een traditie die de kinderen van de Yamazoto basisschool nog steeds voorzetten.
Een paar dagen later reisde ik naar Okinawa (沖縄) via dezelfde route die Bockscar na de explosie had afgelegd. De bemanning kon de thuisbasis Tinian door gebrek aan kerosine niet meer halen en moest dus uitwijken naar het dichtstbijzijnde Amerikaanse vliegveld en Okinawa was onlangs op de vijand veroverd. Het eiland was daarbij door zware gevechten vrijwel geheel verwoest. De enorme inspanning om Okinawa – en eerder Iwo-Jima – te veroveren en het idee dat zich dit op het Japanse vasteland zou vertalen in een deur tot deur gevecht met honderdduizenden slachtoffers, was volgens sommigen een rechtvaardiging geweest niet slechts één maar zelfs twee van de vreselijkste wapens uit onze geschiedenis in te zetten tegen een burgerbevolking.
Het bleef bij deze twee bommen. Amerika had er ook niet meer, maar was wel bereid ze te maken als de oorlog voortduurde. Op 15 augustus 1945 capituleerde Japan.
Amsterdam, 8 augustus 2026
Meer lezen over Willy Buchel: Gregor Vincent, De man die Nagasaki overleefde: Het ongelooflijke verhaal van soldaat Dick Buchel van Steenbergen (Just Publishers, 2019).
Meer lezen over Deshima: Anne Sen, Deshima: Het dagelijks leven op de Nederlandse handelspost in Japan (Walburg Pers, 2025)
Meer lezen over Godzilla: Sidney Smeets, Little Boy en Fat Man: de atoombom en de audiovisuele cultuur van Japan en de Verenigde Staten (1945-2010) (Jonge Historici Schrijven Geschiedenis, 2010)
En verder: Takashi Nagai, The Bells of Nagasaki. Eerste Japanse editie 1949 (vertraagd door de censuur van de Amerikaanse bezetter). Eerste Engelse vertaling 1984.
