22 november 2021
Sidney Smeets
Opinie

Een Volkstribunaal

Wie tegenwoordig door de indrukwekkende nieuwbouw van de Berlijnse Potsdamer Platz loopt, kan zich nauwelijks voorstellen hoe het plein er voor de oorlog heeft uitgezien. Het enige dat nog aan de grandeur van de vooroorlogse gebouwen herinnert, is een achter glas bewaarde ruïne van de ontbijtzaal van het voormalige Grand Hotel Esplanade. Ongeveer op de plek waar nu in het Sony Centre twee restaurants zijn gevestigd, ter hoogte van de Bellevue-straße 15, bevond zich voor de oorlog een statig gebouw dat vanaf het midden van de negentiende eeuw het Königliche Wilhelms-Gymnasium huisvestte. Vanaf 1935 was de locatie van het Volksgerichtshof. Een plaquette in de stoep herinnert eraan:

Op deze plek bevond zich in de periode 1935-1945 de toegang naar het Volksgerichtshof. Met minachting van fundamentele rechtsstatelijke principes veroordeelde het meer dan vijfduizend mensen ter dood. Een nog hoger aantal tot vrijheidsstraffen. Zijn doel was de vervolging en vernietiging van tegenstanders van het nationaalsocialistische regime.

De ervaringen met de strafzaak tegen Marinus van der Lubbe, die in 1934 terecht moest staan voor zijn aandeel in de Rijksdag-brand van 1933, hadden Hitler somber gestemd. Weliswaar was Van der Lubbe door het Reichsgericht ter dood veroordeeld, maar andere verdachten, die ook terechtstonden waren vrijgesproken. Dit, in de ogen van Hitler falende optreden van de reguliere rechterlijke macht, rechtvaardigde het instellen van en speciaal hof dat zich met politieke rechtspraak moest bezighouden en dat de bevoegdheid kreeg verdachten van landverraad of hoogverraad te berechten. Naar het nationaalsocialistische adagium dat ‘Recht ist, was dem Volke nützt’ (Recht is wat nuttig is voor het volk), kreeg dit hof de naam Volksgerichtshof.

In het hof had Hitler alleen trouwe nationaalsocialisten benoemd. Er was sprake van en gemengde samenstelling van het rechterlijk college: beroepsrechters waren in de minderheid, de meeste raadsheren waren lekenrechters met een politieke achtergrond. Als voorzitter van het hof was in 1936 de voormalige officier van Justitie Otto Georg Thierack aangesteld, die de functie vervulde tot hij op 20 augustus 1942 minister van Justitie zou worden. Thierack was met zijn ronde kale hood en diepe littekens een imposante verschijning. Dwars over zijn linkerwang liep een diepe snee die, net als het U-vormige litteken aan de linkerzijde van zijn voorhoofd, een gevolg was van de verwondingen die hij als luitenant in de Eerste Wereldoorlog had opgelopen en die hem en IJzeren Kruis (2de Klasse) hadden opgeleverd. Hij was een overtuigd nationaalsocialist.

Het Volksgerichtshof hield zich bezig met zaken van hoog- en landverraad. Daarop stond de doodstraf en Thierack zorgde er persoonlijk voor dat het uitvoeren van doodvonnissen en stuk efficiënter werd. Niet alleen bracht hij het vereiste papierwerk sterk terug, ook liet hij in de ten noorden van Berlin gelegen gevangenis Plötzensee en speciale executiekamer inrichten. Naast een guillotine bevond zich in deze ruimte aan het plafond een metalen balk met vijf vleeshaken waaraan verschillende veroordeelden tegelijk in en strop van pianosnaar opgehangen konden worden.

Niets werd bij processen aan het toeval overgelaten. De vrije advocaatkeuze werd afgeschaft: verdachten kregen een voor het hof acceptabele advocaat toegewezen. De verdediging kreeg geen voorbereidingstijd, geen dossier en na een schuldigverklaring kregen de veroordeelden ook geen afschrift van het vonnis. Tegen uitspraken van het Volksgerichtshof stond geen hoger beroep open. Al tooide het Volksgerichtshof zich met juridische begrippen en termen, met ‘recht’ of ‘berechten’ had zijn afhandeling van zaken weinig van doen.

Ongeveer de helft van de vonnissen die na aanvang van de oorlog door het Volksgerichtshof werden gewezen, eindigden in de doodstraf. In totaal velde het hof zo’n 5250 doodvonnissen, ongeveer en derde van het totale aantal doodstraffen dat door Duitse gerechten tussen 1933 en 1945 werd uitgesproken.

De beroepsrechters van het hof droegen een rijksadelaar met hakenkruis op hun rode toga’s, de lekenrechters droegen hun normale kleding; vaak partij- of legeruniformen. Het college nam plats aan een tafel waarachter grote hakenkruisvlaggen hingen, onder het toeziend oog van een buste van de Führer. De rechters beschouwden zichzelf als ‘politieke soldaten’, zoals voormalig staatsecretaris van Justitie Roland Freisler het bij zijn aanstelling als president van het Volksgerichtshof in 1942 in en brief aan Adolf Hitler verwoordde.

Een van de bekendste showprocessen die voor het Volksgerichtshof werden gevoerd, was dat tegen de deelnemers van de mislukte couppoging van 20 juli 1944 onder leiding van Claus Schenk graaf von Stauffenberg. Hoewel Stauffenberg zelf op 21 juli in het hof van het hoofdkwartier van het leger, het zogenaamde Bendlerblock in Berlijn, gefusilleerd werd, werden vele andere betrokkenen bij het Volksgerichtshof voorgeleid. Het proces tegen de samenzweerders werd voorgezeten door Freisler en bestond voornamelijk uit vernederingen en tirades van de voorzitter tegen de beklaagden.

Het propagandistische karakter van dergelijke processen was onmiskenbaar en iedere schijn van onpartijdigheid werd zorgvuldig vermeden. Schuld, zo leek het, stond van tevoren vast en Freisler liet zonder blikken of blozen blijken wat hij van deze landverraders vond. Ze moesten zich, in zijn woorden, ‘schamen’.

Dezelfde retoriek zien we de afgelopen maanden terugkomen bij de aanhangers van PVV-leider Wilders en FvD ‘politicus’ Baudet. Zij roepen hun achterban op de ‘elite’ verantwoordelijk te stellen in zogenaamde ‘tribunalen’ waar imaginaire ‘misdaden’ berecht zullen gaan worden als de ‘wil van het volk’ eenmaal zegeviert. Daarbij wordt door hun achterban openlijk gefantaseerd over de doodstraf en vuurpelotons.

We weten waar het toe kan leiden en we weten dat zowel de PVV als het FvD de (internationale) rechtsorde fundamenteel afwijzen. Baudet noemde zelfs de berechting van Nazi-kopstukken in Neurenberg onrechtmatig. Artikel 1 van de Grondwet, dat gelijke behandeling garandeert, is voor deze volksmenners maar een sta-in-de-weg en de rechtspraak van het Europees Hof, dat probeert de mensenrechten te handhaven, zou in hun ogen niet bindend mogen zijn. In eigen land voeren ze al jaren een niet aflatende strijd tegen de onafhankelijke rechtspraak, die met termen als ‘D66-rechters’ en ‘dikastocratie’ verdacht wordt gemaakt.

Te lang hebben we net gedaan of met deze ‘politici’ een debat te voeren valt. Sommige gevestigde partijen hebben zich zelfs verlaagd tot samenwerking op nationaal of lokaal niveau. Maar zoals de Oostenrijks-Britse filosoof Karl Popper al in 1945 (The open society and its enemies) betoogde kúnnen we simpelweg onze democratie niet verdedigen tegen hen die hem omver willen werpen als we hen constant een podium blijven bieden.

Hoogste tijd voor een cordon sanitaire dus, in de hoop dat we daarmee het kleine beetje zelfrespect dat onze democratische rechtsstaat nog heeft kunnen behouden.

(Een deel van deze tekst is een bewerkte versie van teksten uit mijn eerder gepubliceerde boek De wanhoopsdaad).

Amstelplein 54 (26.10)

1096 BC Amsterdam

020 854 6340

info@smeetslaw.nl

LinkedIn